Toonkunstkoor Maastricht
Optreden 10 Juni 2001 


Het optreden op 10 juni vond plaats in de prachtige O.L.Vrouwe Basiliek te Maastricht (foto rechts) waar Toonkunstkoor Maastricht (TKM) regelmatig concerteert.
Tijdens de eucharistieviering van 11.30 uur zong TKM o.a. een drietal religieuze werken van Giuseppe Verdi, wiens 100ste sterfdag in 2001 herdacht wordt. Uitgevoerd werden het Ave Maria en de Laudi alla Vergine Maria (uit de Quattro Pezzi Sacri) en het minder bekende Pater Noster (Onze Vader)


Een ongelooflijke mensenmassa is op 
de been bij Verdi´s begrafenis
 in 1901 te Milaan.


AVE MARIA ~ LAUDI ALLA VERGINE MARIA

Arrigo Boito, Verdi´s librettist van Otello en Falstaff, vroeg en kreeg Verdi´s toestemming om op 7 april 1898 in Parijs vier afzonderlijk gecomponeerde religieuze werken samen tijdens één concert te mogen uitvoeren. Deze werken waren: Ave Maria, Stabat Mater, Laudi alla Vergine Maria (op een tekst van Dante Alighieri´s Paradiso) en Te Deum. Op het laatste moment trok Verdi het Ave Maria terug omdat hij het eigenlijk als een compositieoefening beschouwde. Toch zouden alle vier gewijde stukken na deze gedeeltelijke Parijse première voortaan bekend blijven als de Quattro Pezzi Sacri.

De vier sacrale stukken zijn gecomponeerd voor en na Verdi´s laatste opera Falstaff, en net als bij deze opera breekt Verdi met de compositorische conventies van zijn tijd. Bij het Ave Maria en de Laudi alla Vergine Maria liet Verdi zich vooral inspireren door de grote Italiaanse meesters van de polyfonie en dan bovenal Palestrina. Het in 1889 gecomponeerde Ave Maria ontstond op een heel bijzondere – ietwat triviale wijze. Verdi maakt in deze compositie gebruik van een “scale enigmatica” (een raadselachtige toonladder). Deze toonladder werd als een soort rebus gepubliceerd in het tijdschrift “La Gazetta musicale”door een obscure musicus luisterend naar de naam Crescentini. 
Laudi alle Vergine Maria
ontstond drie jaar eerder dan het Ave Maria en is uitsluitend voor vrouwenstemmen geschreven.
Zoals reeds gezegd, tijdens de laatste jaren van zijn leven brak Verdi met de geldende conventies. Zo zijn het Ave Maria en de Laudi voorbeelden van een stijl waarin de harmonische taal op een manier wordt gebruikt die gaat tot aan de grens van wat toentertijd geaccepteerd was. Oorspronkelijk wilde Verdi de Pezzi Sacri helemaal niet publiceren. Toen hij echter – mede dankzij Boito – tot het inzicht kwam dat zijn religieuze werken volledig deel uitmaken van de grote Italiaanse (polyfone) traditie, gaf hij zich gewonnen. Hij was niet langer bevreesd dat het publiek zijn late, rijpe componeerstijl zou afwijzen.
Tegenwoordig worden zijn “late” werken tot het beste gerekend uit Verdi´s grote oeuvre, al is iedere koordirigent bevreesd voor de moeilijkheidsgraad van de Pezzi.

PATER NOSTER
Het Pater noster dateert uit 1880. Verdi schreef tegelijkertijd een Ave Maria, voor sopraan en strijkorkest (dit is dus niet het Ave Maria van de Quattro Pezzi Sacri) en hij bepaalde dat ze na elkaar moesten worden uitgevoerd. Voor deze twee religieuze werken gebruikte hij teksten van Dante Alighieri, hetgeen hij in 1886 bij de Laudi alle Vergine Maria opnieuw zou doen.

Voor de koorbezetting van het Pater noster eiste Verdi (citaat):
“40 eerste en veertig tweede sopranen, 40 alten, 40 tenoren, 50 – en ik bedoel 50 – bassen”